Wiskunde

De doelstelling van wiskunde is het (verder) ontwikkelen van je logica: onze technische maatschappij eist werknemers met logica. Doelstelling is niet eeuwig de stelling van Pythagoras (een beroemde Griekse wijsgeer) of willekeurig welke andere wiskundeformule te onthouden.

De overheid heeft, geadviseerd door een commissie van wijze wiskundemensen, voor een aantal onderwerpen gekozen die we moeten behandelen in de les. Het ene onderwerp zal je beter liggen dan het andere.

Welke wiskunde kan je kiezen?
Aan het eind van de derde klas maakt de leerling een profielkeuze waarin wiskunde A, wiskunde B of wiskunde C zit. Aan de hand van het cijfer wordt bepaald welke wiskunde geschikt is voor een leerling.

Wiskunde A, B of C?
Er zijn vier soorten wiskunde: A, B of C. Bij Wiskunde A wordt veel kansrekening, telproblemen en statistiek behandeld. Verder leer je omgaan met tabellen en verschillende soorten grafieken en formules. Het rekenwerk gaat niet erg diep, maar dat maakt wiskunde A nog niet tot een makkelijk vak. De opgaven die we behandelen, zijn vaak situaties en problemen uit de praktijk. Belangrijk bij wiskunde A is dat je problemen uit de praktijk leert om te zetten in een stuk wiskunde. Wiskunde A is dus wiskunde die wordt toegepast in allerlei praktische situaties. Behandelde onderwerpen zijn: formules, functies, grafieken, vergelijkingen, algebra (rekenen met letters), differentiëren, rekenregels, rijen en reeksen, statistiek, telproblemen en kansen, normale en binomiale verdeling, toetsen van hypothesen, grafen en matrices.

Wiskunde B: pittige wiskunde waarbij het niet direct om de toepassing gaat. Minder verhaaltjessommen en meer abstract rekenen dan bij wiskunde A. Geen statistiek maar meetkunde en goniometrie. Minder met de grafische rekenmachine.

Bij wiskunde B leer je abstracte problemen op te lossen met moeilijke wiskundige berekeningen. Het zijn vaak ingewikkelde 'puzzels' waarin gerekend moet worden. Behandelde onderwerpen zijn: formules, functies, grafieken, vergelijkingen, logaritmen, goniometrie, algebra (rekenen met letters) en algebraïsche technieken, differentiëren, integreren, rekenregels, bewijzen in de vlakke meetkunde.

Om wiskunde B te kunnen doen moet je in de derde klas in staat zijn om minstens een 7,5 te halen. Als je met moeite een 6,5 haalt, is de kans groot dat je in de tweede fase niet op een voldoende uit komt. Het is natuurlijk ook belangrijk dat je wiskunde leuk vindt, want het vak kost soms veel tijd en moeite om het onder de knie te krijgen.

Voor wiskunde B is het dan ook niet alleen van belang dat je wiskunde leuk vindt, maar ook dat je puzzelen leuk vindt, dat je tijd aan het vak wilt besteden en dat je doorzettingsvermogen hebt. Het wiskundeniveau en het niveau van abstractie zijn hier hoog.

Wiskunde C. Het vak lijkt zeer sterk op wiskunde A, maar omvat minder onderwerpen. Er wordt veel kansrekening, telproblemen en statistiek in behandeld. Verder leer je omgaan met tabellen en verschillende soorten grafieken en formules.

Welke wiskunde je ook kiest, je zult altijd veel tijd moeten besteden aan dat vak om een goed resultaat te kunnen behalen. Ook is een goede taalvaardigheid onontbeerlijk.

Veel gehoorde klacht: “wiskunde kan je of kan je niet”. In het eerste geval zou je goed zitten, in het tweede geval zou je wel erge pech hebben.
Genoemde uitspraak is niet zonder meer waar!!

Bij wiskunde moet je veel leren, en inderdaad ook veel begrijpen. Dat eerste (leren) moet iedereen die op de havo of het vwo zit, kunnen, maar dat gebeurt véél en véél te weinig. Het is de voornaamste reden waarom standaardopdrachten bij leerlingen fout gaan. Ook bij opgaven die niet standaard zijn, is een leerling afhankelijk van leerwerk, omdat dat de basis is waar hij een creatieve oplossing mee moet vinden. Dat laatste, die creativiteit, is iets wat gebaseerd is op logica. Geen enkele wiskundedocent kan eisen dat zijn leerlingen de stof direct begrijpen. Maar het is wel iets wat met geduld en oefenen in min of meerdere mate bereikt kan worden.

Om wiskunde onder de knie te krijgen moet je kei- en keihard werken. Dat geldt niet alleen voor leerlingen, maar ook voor docenten als zij een nieuw wiskundeboek te bestuderen krijgen. Een leerling die in de bovenbouw voor wiskunde B kiest, moet er vanuit gaan heel veel tijd kwijt te zijn (of in ieder beval behoren te zijn) aan wiskunde. Echt, het begrip komt niet zo maar.
Wie de goede instelling heeft, zal merken dat hij steeds meer gaat begrijpen. En dan wordt wiskunde ook nog eens een keer leuk!